De productaansprakelijkheidsregels die wij nu kennen, zijn al bijna 40 jaar oud. De Europese richtlijn[1] stamt uit 1985, een tijdperk van de Walkman en faxapparaten. Inmiddels leven we in een digitale en circulaire economie, waarin producten vaak niet meer puur tastbaar zijn maar complexe software bevatten. Door mondiale toeleveringsketens is het bovendien ingewikkelder geworden om de “producent” te identificeren. De huidige richtlijn levert daardoor inconsistenties en rechtsonzekerheid op. Benadeelden hebben vaak een zwakke bewijspositie, zeker in technisch of wetenschappelijk complexe zaken. Het werd dus tijd voor een grondige herziening.
De nieuwe richtlijn[2] werd op 23 oktober 2024 vastgesteld en moet uiterlijk op 9 december 2026 door de Europese lidstaten zijn omgezet in nationaal recht. Nederland wil dit doen via de Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid. Het wetsvoorstel wijzigt vooral Boek 6 BW. De consultatie sloot op 22 mei 2025.[3] Het wetsontwerp is op 10 oktober 2025 in de Ministerraad aangenomen en gaat nu naar de Raad van State voor advies.[4] In deze bijdrage kijken we alvast vooruit: wat gaan de nieuwe regels betekenen voor de rechtspraktijk?
Het basisprincipe blijft: risicoaansprakelijkheid
Het basisprincipe blijft: producenten zijn aansprakelijk zonder dat schuld of verwijtbaarheid hoeft te worden aangetoond. De benadeelde moet alleen aantonen dat sprake is van schade, een gebrekkig product en een oorzakelijk verband.[5] De producent kan de risicoaansprakelijkheid niet beperken of uitsluiten in een overeenkomst met de consument. Een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men mag verwachten of die wettelijk vereist is.[6] De maatstaf is objectief en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheden die bij de beoordeling relevant zijn, zijn expliciet uitgebreid. Denk aan het vermogen van een product om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven.[7] Zelflerende AI-systemen vallen daarmee rechtstreeks binnen de reikwijdte van de productaansprakelijkheid. Ook blijft de aansprakelijkheid van fabrikanten doorlopen zolang zij zeggenschap hebben over software. Als gebreken voortkomen uit het ontbreken of niet goed functioneren van updates of upgrades, kunnen zij daarvoor verantwoordelijk worden gehouden.[8]
Een ruimer productbegrip
Het begrip “product” wordt fors verruimd.[9] Het omvat nu alle roerende zaken, ook nadat zij zijn geïntegreerd in of verbonden met andere zaken. Onder het begrip “product” vallen nu ook elektriciteit, grondstoffen, zoals gas en water, software en digitale fabricagedossiers. Software wordt breed opgevat: besturingssystemen, firmware, applicaties en AI-systemen vallen hieronder, ongeacht of zij worden geleverd via download, cloud of embedded in hardware. Alleen losse broncode en digitale inhoud, zoals e-books gelden niet als software. Ook gratis en opensourcesoftware zijn onder voorwaarden (!) uitgesloten van toepassing van de nieuwe richtlijn.[10] De nieuwe definitie van “product” omvat dus ook software, met inbegrip van kunstmatige-intelligentiesystemen (AI-systemen). De oorspronkelijke fabrikant is aansprakelijk voor gebreken die optreden na een update of upgrade die onder zijn zeggenschap is uitgevoerd. Ook is de fabrikant straks aansprakelijk voor gebreken die optreden door het voortdurend leren van het AI-systeem waar de fabrikant zeggenschap heeft over het AI-systeem. Digitale fabricagedossiers worden beschouwd als digitale versies van of templates voor een roerende zaak. Ze bevatten de functionele informatie die nodig is om een tastbaar voorwerp te produceren, bijvoorbeeld met behulp van 3D-printers of CNC-machines.[11]
Bijbehorende diensten
Naast de nieuwe definitie van “product” omvat de richtlijn ook zogeheten “bijbehorende diensten”.[12] Dit zijn digitale diensten die zodanig in een product zijn geïntegreerd of daarmee onderling verbonden zijn, dat het product zonder die dienst niet goed kan functioneren. Voorbeelden zijn de continue levering van verkeersgegevens aan een navigatiesysteem en een temperatuurregelingsdienst die de temperatuur van een slimme koelkast monitort en reguleert.[13] Diensten als zodanig vallen niet onder het toepassingsbereik van de richtlijn.
Uitbreiding van schade
Ook het schadebegrip wordt uitgebreid. Naast lichamelijk letsel, overlijden en zaakschade komt voortaan ook verlies of corruptie van niet-zakelijke gegevens in aanmerking voor vergoeding. Denk aan privéfoto’s die verloren gaan door een defecte harde schijf, inclusief de kosten voor het terugwinnen of herstellen daarvan.[14] Hiermee wordt de toenemende relevantie en waarde van data erkend. De minimumgrens van € 500 voor zaakschade vervalt, zodat ook relatief kleine schadegevallen onder de regeling vallen.[15]
Het getrapte stelsel van aansprakelijke partijen
Een van de meest ingrijpende wijzigingen is de uitbreiding van de kring van aansprakelijke marktdeelnemers en de daarin aangebrachte hiërarchie.[16] Naast de fabrikant kunnen ook importeurs, gemachtigden, distributeurs, fulfilmentdienstverleners en zelfs onlineplatforms aansprakelijk worden gehouden. Consumenten mogen echter niet willekeurig uit deze “vijver” vissen. De richtlijn introduceert een getrapt systeem:
- In eerste instantie moet de benadeelde zich wenden tot de fabrikant;
- Als deze onbekend is of buiten de EU is gevestigd, komen achtereenvolgens de importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener in beeld. Om als fulfilmentdienstverlener aansprakelijk te zijn, moet deze ten minste twee kernactiviteiten verrichten (opslag, verpakking, adressering, verzending). Post- en pakketbezorgdiensten en vrachtvervoersdiensten zijn uitdrukkelijk van de definitie als fulfilmentdienstverlener uitgesloten;[17]
- Distributeurs zijn daarna pas aan de beurt en alleen als zij niet binnen een maand de identiteit van een andere in de EU gevestigde marktdeelnemer of van zijn of haar eigen distributeur bekendmaken;
- Onlineplatforms zijn pas aansprakelijk als hun rol verder gaat dan louter het passief doorgeven van informatie.
Ingrijpende wijzigingen en circulaire economie
Een product wordt als “nieuw” beschouwd wanneer het ingrijpend is gewijzigd en opnieuw in de handel wordt gebracht.[18] Zulke wijzigingen kunnen leiden tot aansprakelijkheid van degene die de wijziging uitvoert.[19] Onder een ingrijpende wijziging vallen bijvoorbeeld aanpassingen die de oorspronkelijke prestaties, het doel of type van het product wezenlijk veranderen, en die nieuwe gevaren scheppen of het risiconiveau verhogen. Dit heeft grote gevolgen voor refurbish- en revisiebedrijven. Zij kunnen aansprakelijk worden gesteld alsof zij de oorspronkelijke fabrikant zijn. Wel geldt een uitzondering: als kan worden aangetoond dat de schade geen verband houdt met het gewijzigde onderdeel, kan aansprakelijkheid worden uitgesloten.[20]
Verbetering bewijspositie van benadeelden
Slachtoffers van een gebrekkig product krijgen een sterkere bewijspositie.[21] De rechter kan producenten verplichten relevante informatie over het product te verstrekken. Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met vertrouwelijke gegevens en bedrijfsgeheimen, bijvoorbeeld door afgeschermde inzage. Als een producent weigert informatie te delen, kan de rechter een weerlegbaar vermoeden aannemen dat het product gebrekkig is of dat er een oorzakelijk verband bestaat. Ook wanneer een product niet voldoet aan productveiligheidsvoorschriften of duidelijk disfunctioneert, kan een vermoeden worden aangenomen.[22] In zaken die technisch of wetenschappelijk zeer complex zijn (zoals bij AI), kan de rechter bovendien besluiten dat de bewijsdrempel voor benadeelden wordt verlaagd. Daarmee worden buitensporige bewijsproblemen voorkomen.
Termijnen en verval
De aansprakelijkheid blijft beperkt in tijd. Een vordering verjaart drie jaar nadat de benadeelde kennis kreeg of had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de verantwoordelijke partij.[23] Daarnaast vervalt de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tien jaar nadat het (ingrijpend gewijzigde) product in de handel is gebracht.[24] Nieuw is dat deze vervaltermijn kan worden verlengd tot 25 jaar bij lichamelijk letsel met een lange latentietijd.[25] Dat voorkomt dat slachtoffers met langzaam ontwikkelende gezondheidsklachten juridisch met lege handen staan.
De nieuwe regeling geldt alleen voor producten die vanaf 9 december 2026 in de handel worden gebracht of in gebruik gesteld. Voor eerder geleverde producten blijft het huidige regime van toepassing.[26]
Conclusie
De herziening van de productaansprakelijkheidsrichtlijn moderniseert een 40 jaar oud systeem en sluit beter aan bij de digitale, mondiale en circulaire realiteit. Voor bedrijven betekent dit dat zij rekening moeten houden met bredere aansprakelijkheidsrisico’s, complexere ketens en strengere bewijsregels. Het getrapte stelsel biedt houvast, maar vraagt om zorgvuldige contractuele afspraken en ketenbeheer. Nieuwe productcategorieën zoals software en bijbehorende diensten maken bovendien nauwere samenwerking tussen juridische en technische teams noodzakelijk.
Hoewel de regels pas gaan gelden voor producten of ingrijpend gewijzigde producten die vanaf 9 december 2026 op de markt worden gebracht, moeten bedrijven toch tijdig anticiperen. Dit kan leiden tot aanpassingen in contracten en voorwaarden in combinatie met verzekeringsdekking. Dat kost nu eenmaal veel tijd. Verder moeten bijvoorbeeld softwareleveranciers en AI-bedrijven zich nu al voorbereiden. Daarbij moeten zij ook rekening houden met verplichtingen uit andere regelgeving die vooral uit Brussel over ons heen dendert, zoals de AI-verordening en de Data Act. In veel gevallen wordt het nog een ingewikkelde puzzel.
Dit artikel is geschreven door Ernst-Jan Louwers en Eva van Groezen en eerder verschenen in Juridisch up to Date.
[1] Richtlijn – 85/374 – EN – EUR-Lex.
[2] Richtlijn – 2024/2853 – EN – EUR-Lex.
[3] Overheid.nl | Consultatie Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid.
[4] Besluitenlijst ministerraad 10 oktober 2025.
[5] Artikel 10 Richtlijn 2024/2853.
[6] Artikel 7 lid 1 Richtlijn 2024/2853.
[7] Artikel 7 lid 2 sub c Richtlijn 2024/2853.
[8] Artikel 11 lid 2 sub c Richtlijn 2024/2853.
[9] Artikel 4 Richtlijn 2024/2853.
[10] Artikel 2 lid 2 en overweging 14 en 15 Richtlijn 2024/2853.
[11] Overweging 16 Richtlijn 2024/2853.
[12] Artikel 4 lid 3 Richtlijn 2024/2853.
[13] Overweging 17 Richtlijn 2024/2853.
[14] Artikel 6 lid 1 sub c Richtlijn 2024/2853.
[15] Artikel 6 lid 2 Richtlijn 2024/2853.
[16] Artikel 8 Richtlijn 2024/2853.
[17] Artikel 4 lid 13 Richtlijn 2024/2853.
[18] Artikel 4 lid 18 Richtlijn 2024/2853.
[19] Artikel 8 lid 2 Richtlijn 2024/2853.
[20] Artikel 11 lid 1 sub g Richtlijn 2024/2853.
[21] Artikel 9 Richtlijn 2024/2853.
[22] Artikel 10 Richtlijn 2024/2853.
[23] Artikel 16 Richtlijn 2024/2853.
[24] Artikel 17 lid 1 Richtlijn 2024/2853.
[25] Artikel 17 lid 2 Richtlijn 2024/2853.
[26] Artikel 21 Richtlijn 2024/2853.